Nannie Veerman-Croiset uit Utrecht is paragnost, net als haar vader.

‘Ik leg gewoon mijn handen neer en voeg warmte toe, een tinteling’ . 

“Mijn gave? Ik denk liefde, uiteindelijk. Achter alles zit liefde. Ik hou heel veel van mensen, ze zijn mijn drive. Mensen kunnen me erg ontroeren, gewoon, zoals ze zijn. Ze komen nooit in hun meest rooskleurige situatie bij me. Maar samen kunnen we tot rust komen.

Mensen komen naar me toe voor kwaliteit van leven. Wat gezond is, maak ik sterker, wat ziek is probeer ik kleiner te maken. Zodat het zieke niet meer bij het gezonde kan komen. Dat doe ik met mijn handen. Die gaan naar de plek die de aandacht nodig heeft. Mijn handen gaan daar vaak vanzelf al naartoe. Ik denk dat er iets is wat mijn gevoel vóór is, en dat ik daar achteraan kom. Ik ben er zelf ook vaak verbaasd over.

Ik heb het al jong bij mezelf ontdekt, ik was een jaar of acht, negen. Mijn vader (Gerard Croiset, 1909-1980) magnetiseerde, en ik probeerde hem na te doen, niet bij mensen, maar bij dieren. Op mijn vijftiende ging ik ook mensen helpen, als vader hoofdpijn had. Toen ik aan het conservatorium studeerde en in de omliggende dorpen lesgaf aan kinderen, hielp ik ook hun ouders. Totdat mijn vader daar lucht van kreeg en zei: als je les geeft, geef je les, als je magnetiseert, doe je het bij mij in de praktijk. Langzaam heb ik het lesgeven eraan gegeven. Zo is mijn praktijk heel natuurlijk gegroeid.

Nog steeds is het druk, het gaat zo’n beetje de hele dag door. Ik begin om zeven uur ’s ochtends en eindig ’s avonds meestal na acht uur. Tussen twaalf en één uur wandel ik met de hond in het bos. Ik werk vier weken achter elkaar, dan neem ik een week vrij. Ik moet op tijd ontspannen, want ik moet open blijven, ontvankelijk.

Mensen hebben me nodig. Ze zijn blij met me, ik ben blij met hen. Ik kan helpen, zodat hun leven draaglijker wordt, ze nieuwe energie krijgen en minder moe zijn of pijn voelen. Ik ben meestal het laatste station voor ze; ze hebben vaak al een hele weg afgelegd, via de dokter en de therapeut. Baat het niet, dan schaadt het niet. Vaak gaat het om chronische lichamelijke klachten, maar ook stress en diepe angsten kom ik veel tegen.

Ik geef mensen geen valse hoop. Ik kan ze wel levenskracht geven, al is het maar een klein beetje. Kankercellen gaan niet weg, maar ik kan wel wat tegen de vermoeidheid doen, ik kan proberen de kwaliteit van leven zo goed mogelijk te houden. Ik heb met de Universiteit van Utrecht wel experimenten gedaan met kankercellen in een voedingsbodem. Die gingen dood; de bakjes waarin ze zaten, besloegen helemaal. Maar dat waren sec de cellen, zonder lichaam er omheen. In het menselijk lichaam spelen zich ook allemaal chemische processen af; daar kom ik niet doorheen, jammer genoeg.

Hoe zoiets kan? Je kunt je er suf over denken. Ik weet het niet. Het maakt me ook niet uit, als het maar werkt. Dat zal met mijn Twentse nuchterheid te maken hebben. Sommige dingen zijn er gewoon. Die zijn mooi en puur, daar moet je zuinig op zijn en respect voor hebben.

Ik ben er heel erg blij mee, met die gave. Ik krijg er veel energie van. Ik leg gewoon mijn handen neer en voeg zo warmte toe, een tinteling. Zelf voel ik geen warmte, ik voel ontspanning, ruimte. Het is eenhele verfijnde straling, die niet van mij afkomstig is. Uiteindelijk komt die van God, ja, dat geloof ik. God is voor mij liefde, een enorme bron van liefde – alleen van die gedachte al word ik warm.”

Uit: Vier! Magazine 2009.